Een ochtendcolumn
Niet de einddatum, maar de levensruimte
De AOW discussie loopt al jaren parallel aan het pensioendebat. De redenering is overzichtelijk. Mensen worden ouder, dus kan de uitkeringsgrens omhoog. De kalender schuift op, het systeem schuift mee.
Wat daarmee uit beeld raakt, is dat ouder worden niet hetzelfde is als langer vitaal blijven. In Nederland stijgt de levensverwachting richting de 82 jaar, maar de gezonde levensverwachting stijgt veel minder hard. Vanaf begin zestig neemt het aandeel jaren met lichamelijke of functionele beperkingen aantoonbaar toe. De extra levensjaren worden vooral gewonnen na het moment waarop het aandeel jaren met beperkingen structureel toeneemt. Wie 65 wordt, leeft gemiddeld nog bijna twintig jaar, maar statistisch gezien slechts een deel daarvan zonder noemenswaardige beperkingen.
Dat verschil is geen incident, maar een structureel patroon. Onderzoek naar gezonde levensjaren laat zien dat de verhouding tussen vitale jaren en jaren met beperkingen niet gelijkmatig meebeweegt met de stijgende levensduur. De kalender schuift door, maar het lichaam volgt in een ander tempo.
Het beleidsmatige gemak zit in de einddatum. Wie langer leeft, kan later uitkeren. Wat ontbreekt, is de vraag wat ondersteuning nog betekent wanneer het vermogen om tijd te gebruiken afneemt. Een uitkering is niet alleen een inkomensgarantie aan het einde van het leven. Die is ook bedoeld om nog iets van de gezonde jaren te maken zodra arbeid ophoudt. Tijd zonder inkomen is geen vrijheid, maar uitstel.
Daarmee wordt leeftijd een te eendimensionaal criterium. Het debat rekent met jaren tot het einde, terwijl de waarde van zekerheid juist ligt in de fase waarin tijd nog kan worden ingevuld. Door ondersteuning steeds verder naar achteren te schuiven, verschuift bestaanszekerheid richting een moment waarop autonomie, herstel en belastbaarheid al zijn afgenomen.
De discussie over betaalbaarheid is relevant, maar vertrekt vanuit een boekhoudkundige realiteit. Die rekent met jaren en bedragen, niet met levensfasen. Kosten worden zichtbaar gemaakt, betekenis niet. Zo wordt zekerheid gereduceerd tot een post op de begroting, terwijl het stelsel ooit bedoeld was als basis voor leven na arbeid.
De vraag die ontbreekt, is niet of Nederland dit kan betalen. De vraag is welk type samenleving besloten ligt in een stelsel dat bestaanszekerheid vooral garandeert wanneer leven grotendeels is ingeperkt. Niet de einddatum is bepalend, maar de levensruimte die daarvoor resteert.