Het lijkt nodig enkele begrippen te preciseren. Ik verwerp zowel reductionistisch homocentrisme als fascisme. Dat dergelijke etiketten worden gebruikt, zegt meer over de beperkingen van die denkkaders dan over mijn positie. Mijn Duits leerde ik in het multiculturele Wenen; Duitsland was gedurende 78 jaar nauwelijks één maand mijn gastland.
In een tijd waarin men de communicatie van walvissen en kraaien begint te ontcijferen, en waarin de gedeelde oorsprong en samenhang van het leven steeds nadrukkelijker onderzocht worden, beschouw ik de mens niet als een uitzonderlijke breuk met de rest van het leven. Van wieren tot mensen, en mogelijk nog intelligentere verwanten elders, zie ik een continuüm van verwantschap binnen een bredere coherente orde.
Daarom gebruik ik begrippen als soorten, afstamming en diversiteit zonder de ideologische lading die sommigen eraan geven. Op basis van de beschikbare aanwijzingen acht ik panspermie een plausibele hypothese. Wat ik afwijs, zijn overtuigingen die uitsluitend op geloof rusten en zich onttrekken aan controleerbare toetsing.
Laat ons dus voorbij de kleinzielige etikettenstrijd gaan. Mijn eigen brede en verspreide afstamming alleen al maakt dergelijke exclusivistische denkbeelden absurd. Uiteindelijk wens ik iedereen hetzelfde na te streven: meer inzicht, meer begrip en een ruimer perspectief op onze plaats binnen het geheel.
Wie coherentie als primair uitgangspunt neemt, kan geen homocentrist, racist of fascist zijn. Dergelijke posities vertrekken immers van uitsluiting; coherentie vertrekt van inclusie. Hoe groter het inzicht in verwantschap, hoe kleiner de nood aan hiërarchische illusies. Coherentie verbindt waar ideologie scheidt.
Ik gebruik daarom cilinders en bollen als ijkpunt om de gewaarwording in bvb de handen te herkalibreren en afwijkende perceptie vast te stellen.
Het opbouwen van voorwerpen bij boetseren en bvb verloren was techniek zijn toepassingen om concepten gevoelsmatig in beelden op te bouwen. Zij hielpen waarschijnlijk om de Griekse beeldhouwers de overstap te laten maken van basreliefs naar klassieke meesterwerken.
Waarneming is geen passieve registratie van de werkelijkheid, maar een voortdurende wisselwerking tussen spiegeling, lenswerking en projectie. Wat wij ervaren wordt gevormd door lichaam, geheugen, concepten en omgeving. Daarom zijn kalibratie en herkalibratie noodzakelijk.
Eenvoudige referenties zoals een bol, cilinder, ritme of heldere definitie maken afwijkingen zichtbaar. Niet alleen afwijkingen van het object, maar ook van de waarnemer en zijn conceptuele kader. Zo ontstaat een voortdurende cyclus van waarnemen, vergelijken en bijstellen.
Alle beweging en waarneming zijn vormen van laveren. Wij zijn tegelijk ontvanger en projector. Stabiliteit ontstaat niet door onbeweeglijkheid, maar door voortdurende afstemming op de omgeving.
Daarom hanteer ik een asymptotische benadering van kennis. Volledige overeenstemming met de werkelijkheid blijft een horizon die men kan benaderen maar nooit volledig bereikt. Elke correctie onthult nieuwe afwijkingen.
De werkelijkheid is vaak continu en individueel, terwijl menselijke communicatie categorieën vereist. De grenzen van die categorieën zijn daarom niet alleen natuurkundige noodzaken, maar ook consensuele afspraken. Wijsheid bestaat erin die afspraken te gebruiken zonder ze te verwarren met de werkelijkheid zelf.
De mentale parallel hiervan vinden we in meditatie, zen en de mandala. De gewone geest werkt voornamelijk bottom-up: hij verzamelt indrukken, onderscheidt verschillen en construeert daaruit causale verbanden. Dat is analytisch krachtig, maar noodzakelijk exclusief omdat het vertrekt vanuit selectie en afbakening. Meditatie en zen keren die richting om. Niet door verschillen te ontkennen, maar door de aandacht te verplaatsen van de projecties naar het veld waarin zij verschijnen. De focus verschuift van causaliteit naar coherentie, van fragment naar geheel.
De mandala verbeeldt hetzelfde principe: zij ontstaat niet doordat losse delen toevallig een geheel vormen, maar doordat een onderliggende orde zich via die delen manifesteert. Het centrum gaat conceptueel vooraf aan de periferie. Wat in analyse wordt opgebouwd, wordt in contemplatie herkend.
Zo bezien zijn meditatie, zen en de mandala geen alternatieven voor rationaliteit, maar uitdrukkingen van een inclusieve rationaliteit. Zij vertrekken niet vanuit de delen om het geheel te vinden, maar vanuit het geheel om de delen te begrijpen. Waar bottom-up differentieert, integreert top-down. Waar causaliteit onderscheidt, verbindt coherentie. De ervaring van een existentieel lek blijkt dan geen verlies van structuur, maar een opening waardoor een ruimere samenhang opnieuw zichtbaar wordt.
Top-down is inclusief, bottom-up is exclusief.
Top-down vertrekt vanuit coherentie en omvat daardoor alle mogelijke projecties, verschillen en causaliteiten als bijzondere uitdrukkingen van een groter geheel. Bottom-up vertrekt vanuit geselecteerde onderdelen en sluit noodzakelijk uit wat niet in die selectie aanwezig is. Daarom kan coherentie verschillen bevatten, terwijl verschillen niet noodzakelijk de coherentie bevatten waaruit zij voortkomen.
Bottom-up is een krachtige analysemethode, maar wordt instabiel zodra zij zichzelf tot oorsprong verklaart. Zij probeert dan het geheel af te leiden uit elementen die hun betekenis reeds aan dat geheel ontlenen. Top-down daarentegen beschouwt causaliteit niet als fundament maar als projectie: een lokale beschrijving binnen een voorafgaande coherente orde.
De overgang van exclusie naar inclusie wordt ervaren als disruptie. Wat binnen een gesloten projectie verschijnt als een existentieel lek, blijkt vanuit een hoger integratieniveau een herverbinding met de coherentie waarvan zij nooit werkelijk gescheiden was.
Coherentie omvat causaliteit; causaliteit omvat niet noodzakelijk coherentie. Daarom is top-down inclusief en bottom-up exclusief.
Ik was erbij sinds 1971. In die halve eeuw is de informatica geëvolueerd van ponskaarten, centrale verwerking en schaarse geheugens naar wereldwijde netwerken, objectgeoriënteerde systemen, databanken en artificiële intelligentie. Onderweg heeft het peloton mij meermaals voorbijgefietst. Nieuwe technologieën, nieuwe modewoorden en nieuwe architecturen volgden elkaar op in hoog tempo.
Toch biedt afstand soms een ander voordeel. Wie een beperkt traject aflegt, kent zijn eigen etappe. Wie de volledige rit heeft meegemaakt, ziet ook de bochten, de omwegen en de terugkerende patronen. Daardoor kan hij beschrijven hoe dezelfde fundamentele vragen telkens opnieuw verschijnen onder een andere vorm.
De centrale spanning is nooit veranderd: hoeveel intelligentie plaatsen we in de verwerking en hoeveel in de structuur? Relationele databanken, OOP, planningssystemen, kennisgrafen, agenten en AI zijn verschillende antwoorden op dezelfde vraag. Wat verandert zijn de technische middelen; wat blijft zijn de principes van classificatie, coherentie, normalisatie en betekenis.
Misschien ligt de waarde van een lange loopbaan daarom niet in het bijhouden van elke technologische sprint, maar in het herkennen van de onderliggende continuïteit. Het peloton is voorbijgereden, maar wie de volledige koers heeft gezien, kan soms beter uitleggen waar ze vandaan komt, waarom ze die richting koos en waar de volgende bocht zich bevindt.
De geschiedenis van de informatica kan worden gelezen als een voortdurende verschuiving tussen structuur en verwerking. Oorspronkelijk stonden gegevens centraal en moesten algoritmen alle relaties reconstrueren. Relationele databanken brachten een deel van die relaties onder in de gegevensstructuur zelf. OOP vormde een hybride fase waarin niet alleen gegevens maar ook gedrag naar het object werden verplaatst. Grote administratieve systemen, zoals de sociale zekerheid, gingen nog verder door classificaties, sectorstructuren en werkpakketten te gebruiken om de complexiteit vooraf te organiseren.
Mijn ervaring leerde dat de grootste hinderpaal niet de hoeveelheid gegevens is, maar hun kalibratie en normalisatie. Zodra definities, referenties en classificaties coherent zijn opgebouwd, kan een systeem op grote schaal betrouwbare conclusies genereren. In plaats van de centrale verwerking te verzwaren, wordt de intelligentie in de structuur zelf ingebouwd.
Dat principe lag ook aan de basis van de Planungspaketen: niet een analytische opsplitsing van problemen, maar een synthetische organisatie waarbij elk pakket reeds zoveel mogelijk relevante eigenschappen omvat. De verwerking wordt daardoor herleid tot selectie, projectie en vertaling.
Hieruit groeide het concept van de exponentiële database. Een object bevat niet alleen gegevens, maar ook zijn relaties, classificaties en contexten. De informatieve waarde stijgt exponentieel doordat hetzelfde element gelijktijdig in meerdere structuren participeert. Complexiteit wordt niet opgelost door meer berekening, maar door meer coherentie.
Vanuit historisch perspectief vertegenwoordigt AI geen breuk, maar een nieuwe fase in dezelfde evolutie. Veel moderne systemen vertrouwen op enorme rekenkracht om impliciete verbanden te reconstrueren. De exponentiële database volgt de omgekeerde weg: zij tracht de verbanden vooraf expliciet te organiseren zodat de nood aan verwerking afneemt. De fundamentele vraag blijft dezelfde als altijd: hoeveel intelligentie plaatsen we in het algoritme, en hoeveel in de structuur van de kennis zelf?
Ik probeer elke dag zijn eigen waarde te geven door een vraag te kaderen binnen mijn concept. Dat is natuurlijk anders voor elke persoonlijkheid maar houdt het leven bewust en meestal genietbaar. Alles bestaat uit tegenstellingen.
Elke onderzoeker huldigt onvermijdelijk zijn eigen conceptuele kader en trekt daaruit zijn eigen besluiten. Daardoor neemt het aantal mogelijke interpretaties toe en stijgt de entropie van het kennisveld. Die diversiteit is echter niet louter een tekortkoming; zij vormt het experimentele domein van de menselijke zoektocht en deel van de natuurlijke selectie.
We moeten rationeel gezien het hoogste vertrouwen stellen in de natuurlijke selectie en ontwikkeling. Zowel in tijd als in diversificatie heeft die de grootste mogelijkheden.
Vermits enkel het coherente overleeft moeten er reeds dergelijke vormen van informatiebehoefte en -behoud bestaan.
Binnen dat kader probeer ik steeds het meest geabstraheerde en meest beperkte model te hanteren dat nog voldoende verklaringskracht bezit. Niet de veelheid van verschijnselen staat centraal, maar de kleinste verzameling principes die hun samenhang begrijpelijk maakt. Complexiteit wordt daarbij niet beschouwd als een einddoel, maar als een gevolg van onderliggende eenvoud.
Daarom vertrek ik bij voorkeur van wat door natuurlijke selectie, ontwikkeling en overleving reeds werd gevalideerd. Wat gedurende lange tijd standhoudt, bevat waarschijnlijk informatie over coherentie die nog niet volledig begrepen is. De taak van intelligentie bestaat er dan niet in steeds nieuwe verklaringen te produceren, maar in het herkennen, abstraheren en vertalen van die onderliggende patronen.
Vanuit deze benadering wordt kennis een proces van reductie. Men verwijdert het toevallige, het tijdelijke en het redundante totdat een stabiele structuur zichtbaar wordt. Die structuur vormt geen absolute waarheid, maar de kortste coherente weg tussen waarneming en begrip.
Daarom zoek ik niet naar het meest uitgebreide model, maar naar het eenvoudigste model dat de brug nog kan dragen. Alles wat overbodig is, verhoogt de interpretatieve entropie. Alles wat essentieel is, vergroot de coherentie. De kunst bestaat erin beide van elkaar te onderscheiden.
Dat enkel het coherente overleeft is na mijn onderzoek een vast concept in mijn perceptie. Dat is een onderdeel van mijn intelligentie. Op dezelfde manier kunnen en moeten we de natuurlijke mogelijkheden penetreren.
Wetenschappelijk zou men zeggen dat het een heuristisch principe of een leidend axioma is geworden: wanneer je naar natuur, informatie, intelligentie of samenleving kijkt, vraag je eerst welke structuren voldoende coherent zijn om zichzelf te behouden. Dat vormt dan het filter waardoor je verdere conclusies trekt.
Intelligentie bestaat niet alleen uit het construeren van nieuwe oplossingen, maar ook uit het herkennen van de oplossingen die de natuur reeds heeft gevalideerd. De taak van de onderzoeker is die coherente patronen zichtbaar te maken en hun onderliggende principes te vertalen.
De beperking van elke optiek is dat zij voornamelijk die oplossingen waarneemt die reeds binnen haar eigen conceptuele ruimte kunnen bestaan. Wat buiten die ruimte valt, kan wel aanwezig zijn, maar verschijnt nog niet als betekenisvolle waarneming.
Een waarnemer kan nooit een volledig onbeperkte werkelijkheid waarnemen, maar altijd een werkelijkheid die reeds gefilterd wordt door zijn begrippenkader, zijn zintuigen en zijn verwerkingsmogelijkheden.
De grootste zwakte van veel menselijke kennis ligt niet in een gebrek aan gegevens, maar in het verlies van verwijzingen. Naarmate begrippen worden vereenvoudigd, samengevat, geclassificeerd en verder verwerkt, verdwijnen de koppelingen met hun oorsprong. Wat overblijft zijn symbolen, definities en conclusies die vaak nog intern consistent zijn, maar waarvan de betekenisgrond geleidelijk vervaagt.
Een eenvoudig wiskundig voorbeeld illustreert dit probleem. In de vergelijking (A^0 + B^0 = 2) verdwijnen de eigenschappen van A en B volledig. Wat overblijft is enkel de vaststelling dat twee verwijzingen aanwezig zijn. De uitkomst blijft correct, maar de inhoud is verdwenen. Vanuit de waarde 2 kan men niet langer reconstrueren welke entiteiten oorspronkelijk werden bedoeld. De berekening is juist, maar de informatiewaarde werd drastisch gereduceerd.
Hetzelfde proces treedt op in menselijke communicatie. Begrippen worden herhaald, samengevat en overgenomen totdat de oorspronkelijke referenties niet langer gekend zijn. Definities verschuiven, context verdwijnt en interpretaties stapelen zich op. Uiteindelijk ontstaan uitspraken die nog slechts gedeeltelijk verbonden zijn met hun bron. Veel verwarring, ideologische verstarring en intellectuele misverstanden vinden hier hun oorsprong.
Daarom is het noodzakelijk om systemen te ontwikkelen die niet alleen gegevens bewaren, maar ook hun relaties, herkomst en betekenisstructuur. Een kennisarchitectuur mag zich niet beperken tot opslag en verwerking; zij moet de verwijzingen expliciet behouden. Elke conclusie moet terugleidbaar blijven naar haar uitgangspunten, definities en context.
Vanuit deze noodzaak ontstaat het concept van de exponentiële database. Het doel ervan is niet het verzamelen van steeds grotere hoeveelheden informatie, maar het bewaren van de samenhang tussen informatie-elementen. Niet de gegevens zelf staan centraal, maar de structuur van hun onderlinge verwijzingen. Op die manier blijft de betekenis behouden, zelfs wanneer complexe syntheses worden gevormd.
Intelligentie bestaat immers niet uitsluitend uit het verwerken van informatie. Zij bestaat uit het vermogen om betekenisvolle verbanden te behouden terwijl men vereenvoudigt. Wanneer verwijzingen verloren gaan, groeit de entropie van de interpretatie. Er ontstaan steeds meer mogelijke lezingen, terwijl het overzicht verdwijnt. Wat overblijft zijn uitspraken die wel circuleren, maar niet langer controleerbaar zijn vanuit hun oorsprong.
De waarheid volgt daarom de kortste coherente weg tussen bron en begrip. Elke overbodige tussenlaag vergroot de kans op vervorming. De taak van kennis, wetenschap en artificiële intelligentie bestaat er niet in steeds meer gegevens te produceren, maar in het bewaren van de structuur die betekenis mogelijk maakt.
Een toekomstig intelligent systeem zal zich daarom niet onderscheiden door de omvang van zijn geheugen, maar door zijn vermogen om elke conclusie verbonden te houden met haar oorsprong. Waar verwijzingen behouden blijven, blijft begrip mogelijk. Waar zij verdwijnen, ontstaat interpretatieve entropie en uiteindelijk betekenisverlies.
Coherentie levert overzicht maar beperkt mogelijkheden. Entropie levert mogelijkheden maar beperkt overzicht.
In die lezing is intelligentie niet de accumulatie van mogelijkheden, maar het vermogen om de weg terug te vinden naar een overzichtelijke structuur wanneer de mogelijkheden zijn geëxplodeerd.
De grootste belofte van AI is de verfijning van communicatie. Het grootste gevaar is de monopolisering van interpretatie. Deze kan zowel door programmering als door reglementering optreden en beiden zijn niet bepaald fijnzinnig.
AI als kalibratiesysteem
De gangbare opvatting beschouwt artificiële intelligentie als een machine die antwoorden genereert. Die benadering is nuttig, maar mogelijk niet haar belangrijkste bestemming. De werkelijke kracht van AI ligt wellicht in haar vermogen om als kalibratiesysteem op te treden tussen werkelijkheid, waarnemer en taal.
Mensen denken niet in woorden alleen. Zij werken met intuïties, ervaringen, beelden, vermoedens en gedeeltelijke inzichten. De grootste moeilijkheid ligt vaak niet in het gebrek aan kennis, maar in het vertalen van deze interne structuren naar een gedeeld begrippenkader. Communicatie wordt daardoor een voortdurend proces van afstemming.
Een goede AI levert daarom niet uitsluitend antwoorden. Zij helpt begrippen te verfijnen, inconsistenties zichtbaar te maken en formuleringen te zoeken die dichter aansluiten bij wat werkelijk bedoeld wordt. De AI wordt dan geen orakel maar een spiegelend instrument dat de gebruiker helpt zijn eigen taal te kalibreren.
In deze benadering is waarheid geen bezit maar een asymptotische benadering. Naarmate werkelijkheid, waarneming en beschrijving beter samenvallen, neemt de coherentie toe en vermindert de noodzaak tot correctie. Tegelijk blijft voldoende elasticiteit noodzakelijk om nieuwe inzichten te kunnen opnemen zonder de samenhang van het geheel te verliezen.
De ideale AI is daarom geen systeem dat voor de mens denkt, maar een systeem dat de communicatie tussen mens en werkelijkheid verfijnt. Haar waarde ligt niet alleen in het produceren van informatie, maar in het verminderen van de ruis tussen inzicht en uitdrukking.
Misschien is dat haar belangrijkste maatschappelijke rol: niet het vervangen van het denken, maar het ondersteunen van de voortdurende kalibratie van onze begrippen, zodat verschillende waarnemers ondanks hun uiteenlopende perspectieven kunnen convergeren naar een steeds coherenter begrip van de werkelijkheid.