Ik lees dat afschuwelijke verhaal van die zwemmer die werd overvaren door een boot. Ik woon zelf aan een meertje. Bij de aanleg van de wijk is een zwempier aangelegd. Voor recreatie. Voor dit soort dagen. In haar oneindige wijsheid heeft de gemeente Leeuwarden honderd meter verderop, haaks op de pier een plek gemaakt waar boten te water kunnen worden gelaten. Speedboten, jet ski’s dat soort dingen. Gewone tuffende sloepjes hangen immers niet achter een auto. Het meertje is veranderd een wedstrijdbad voor boten waarbij je op de aanhanger al kunt zien dat de wet overtreden gaat worden. Niemand gaat immers langzaam varen met een jetski. Dat niet alleen uit allerlei andere wijken komen kinderen met rubberboten en buitenboordmotoren stunten en wedstrijdjes houden in en om die zwempier. Want die ligt lekker centraal. De wijk heeft aangeven dat dit niet werkt. Ik heb er zicht op en heb bij herhaling gewaarschuwd dat het zwemgedeelte afgezet zou moeten worden met boeien. Buitenboordmotoren zijn immers gewoon gehaktmolens. Zwemmen en boten gaat moeizaam samen. De gemeente blijft oostindisch doof en wanneer het dan misgaat, want daar kun je op wachten, is er niemand verantwoordelijk. Einde dienstmededeling.
Een ochtendcolumn.
De hardwerkende Nederlander
De discussie over de hypotheekrenteaftrek laat zien hoe vreemd het politieke begrip van de “hardwerkende Nederlander” inmiddels is geworden. Vrijwel iedere partij zegt op te komen voor mensen die werken, belasting betalen en de samenleving draaiend houden. Links zegt het, rechts zegt het, het midden misschien nog het vaakst.
Maar het NOS-artikel over de ophef rond de hypotheekrenteaftrek maakt duidelijk dat Den Haag in werkelijkheid twee soorten hardwerkende Nederlanders onderscheidt, de hardwerkende netto ontvanger en de hardwerkende netto betaler.
Over die laatste groep gaat deze discussie. Niet over multimiljonairs of mensen met ingewikkelde fiscale constructies, maar over tweeverdieners met beroepen waar Nederland dagelijks op draait. De verpleegkundig specialist en de IT’er. De docent en de politiefunctionaris. De teamleider bij de gemeente en de HR-manager. Gezinnen met een gezamenlijk inkomen van rond de een ton, soms iets meer. In veel Europese landen zou dat nog altijd gewoon gelden als comfortabele middenklasse. In Nederland zijn dat inmiddels de hoge inkomens.
Deze huishoudens betalen jaarlijks enorme bedragen aan inkomstenbelasting en premies. Daarna volgen btw, energiebelasting, gemeentelijke lasten, accijnzen, zorgpremies en vermogensheffingen. Vrijwel alle toeslagen verdwijnen ondertussen uit beeld. Dit is een van de groepen waarop de financiering van de verzorgingsstaat in belangrijke mate rust.
Nederland heeft een economie opgebouwd waarin twee inkomens voor veel gezinnen nauwelijks nog luxe betekenen, terwijl de politiek dezelfde huishoudens fiscaal steeds vaker behandelt alsof ze tot de vermogende elite behoren. Twee redelijke inkomens zijn voor veel gezinnen geen teken van rijkdom meer, maar simpelweg noodzakelijk om een huis te kunnen kopen, kinderen op te vangen en enig financieel comfort over te houden.
Zodra ergens een klein fiscaal voordeel ontstaat valt direct het politieke masker van sympathie voor die hardwerkende Nederlander. Het kabinet verhoogt eerst de belastingdruk via de tweede schijf. Daardoor betalen deze huishoudens meer belasting. Vervolgens stijgt door een technische koppeling ook de hypotheekrenteaftrek iets mee. Uiteindelijk gaat het om enkele tientjes of een paar honderd euro op jaarbasis.
Voor veel van deze huishoudens blijft de totale belastingdruk per saldo gewoon stijgen. Maar precies dat kleine deel dat terugvloeit, werd in het debat onmiddellijk neergezet als voordeel voor hogere inkomens. Alsof iemand eerst een hogere rekening krijgt opgelegd en zich daarna publiekelijk moet verantwoorden voor een stukje wisselgeld.
Waarom valt deze groep eigenlijk steeds minder binnen de politieke definitie van de hardwerkende Nederlander? Wanneer verandert een verpleegkundige, docent of politiefunctionaris van bewonderde middenklasse in fiscale probleemcategorie? Blijkbaar ergens rond het moment waarop iemand meer afdraagt dan ontvangt.
De brede werkende middenklasse gold ooit als fundament onder het systeem. Inmiddels verschijnt dezelfde groep steeds vaker als financiële reservevoorraad waar Den Haag automatisch naar kijkt zodra begrotingen onder druk komen te staan.
Hypotheekrenteaftrek splijt coalitie opnieuw, D66 en CDA willen af van verhoging
https://t.co/CbrA5IbLJh
Een ochtendcolumn
Nederland behoort al jaren tot de meest genivelleerde landen van Europa. Volgens het CBS is de inkomensongelijkheid hier, na belastingen en toeslagen, een van de laagste van de EU. Hoge inkomens worden stevig belast, lage inkomens uitgebreid ondersteund en via zorg, onderwijs en sociale zekerheid wordt een groot deel van het nationale inkomen herverdeeld.
Nog nooit hadden zoveel gewone Nederlanders zoveel bezit. De loodgieter bezit een huis, de verpleegkundige bouwt pensioenvermogen op en de vrachtwagenchauffeur belegt via zijn pensioenfonds wereldwijd in aandelenmarkten. Juist daardoor verschuift het debat van inkomen naar vermogen. Vermogen groeit sneller dan arbeid, waarschuwen economen, en dus dreigt maatschappelijke verstarring. Opvallend is hoe vanzelfsprekend die aanname inmiddels klinkt, terwijl vermogen zich historisch vrijwel altijd over generaties heeft opgebouwd.
De rijkste 1 procent is daarbij uitgegroeid tot een bijna mythische categorie. Het beeld roept associaties op met superjachten, belastingparadijzen en slapend kapitaal. In werkelijkheid bestaat die groep in Nederland vaak uit ondernemers, medisch specialisten, directeuren en tweeverdieners met hoge inkomens. Volgens CPB-berekeningen draagt deze groep in absolute zin tientallen miljarden euro’s per jaar aan belasting af, iets van tien procent van alle belastinginkomsten.
Voor de discussie is het interessant om te weten hoe onderzoekers die rijkdom berekenen. Onderzoek naar de relatief lage belastingdruk van de absolute top telt ook ongerealiseerde vermogensgroei mee, bijvoorbeeld stijgende aandelenwaarden van bedrijven die niet zijn verkocht. Een ondernemer kan op papier tientallen miljoenen rijker worden zonder dat daar direct besteedbaar geld tegenover staat.
Tegelijk stelt vrijwel iedere Nederlander belasting uit via pensioenopbouw. Jaarlijks verdwijnen tientallen miljarden euro’s fiscaal vriendelijk richting pensioenfondsen, belasting die pas later wordt geheven. Sparen voor later geldt dan als verstandig beleid en dat pensioenvermogen mogen we niet meetellen, terwijl vergelijkbaar uitstel via ondernemingsvermogen nu als maatschappelijk verdacht wordt gezien.
Vermogen verschijnt in het debat als een statische voorraad bezit. Minder zichtbaar blijft de economische geschiedenis die eraan voorafging. Achter familievermogens, vastgoedportefeuilles en verkochte ondernemingen liggen meestal jaren, soms generaties, van investeringen, risico, werkgelegenheid en belastingafdrachten. Een ondernemer die tientallen miljoenen verdient met de verkoop van een bedrijf verschijnt gemakkelijk als individu met een groot vermogen, terwijl datzelfde bedrijf vaak jarenlang salarissen, export, innovatie en belastinginkomsten heeft voortgebracht.
Toch verdwijnt die voorgeschiedenis in het huidige debat vaak naar de achtergrond. Het wringt met vrijwel alles wat overheid en financiële instellingen burgers tegelijk vertellen. Nederlanders moeten studeren, ondernemen, beleggen en financieel zelfstandiger worden. De AFM adviseert burgers expliciet om meer vermogen op te bouwen via beleggingen. Europa wil dat spaargeld productiever wordt ingezet. Burgers moeten meer verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen financiële toekomst.
Maar zodra iemand daarin echt succesvol wordt, verschuift de waardering naar ongemak. Dan verschijnen de discussies over excessieve vermogens, de sterkste schouders en oneerlijke rijkdom.
De impliciete boodschap luidt inmiddels: grijp je kans, maar word vooral niet te succesvol. En precies daar begint een meritocratie zichzelf te ondermijnen. Want kansen stimuleren heeft alleen zin als ongelijke uitkomsten worden geaccepteerd. Een samenleving waarin talent, discipline en risico mogen lonen produceert vanzelf verschillen.
Nederland zit daarmee in een merkwaardige spagaat. Het land stimuleert burgers om vermogen op te bouwen, maar raakt van de leg wanneer mensen daarin daadwerkelijk slagen.
Een ochtendcolumn
Schaarste voor iedereen, behalve voor de overheid
Sinds 2000 zijn de overheidsinkomsten gestegen van ongeveer 200 miljard euro naar ruim 500 miljard euro per jaar. Dat is een toename van meer dan 150 procent, terwijl de inflatie in diezelfde periode rond de 65 procent lag. Gecorrigeerd daarvoor ontvangt de overheid inmiddels jaarlijks ruim 100 miljard euro extra.
Meer geld is dus aantoonbaar beschikbaar gekomen. Toch zijn in diezelfde periode op tal van dossiers structurele problemen ontstaan of blijven bestaan. De gedachte dat vooral extra middelen nodig zijn om problemen op te lossen vindt in deze cijfers weinig houvast.
De actualiteit voegt daar een nieuwe laag aan toe. Het FD meldde recent, op basis van UWV-onderzoek, dat het aantal banen bij de overheid in vijf jaar tijd met bijna honderdduizend is toegenomen, een groei van circa 18 procent, ongeveer het dubbele van de rest van de economie.
Die groei vindt plaats in een arbeidsmarkt die al jaren onder spanning staat. In veel sectoren zijn personeelstekorten eerder regel dan uitzondering. Bedrijven zoeken technici, bouwers, operators, zorgverleners. De grenzen van wat de economie kan leveren worden daar dagelijks zichtbaar.
Tegen die achtergrond krijgt de groei van de overheid een andere betekenis. Elke extra ambtenaar is iemand die niet meer beschikbaar is voor sectoren waar direct waarde wordt gecreëerd. De verschuiving loopt niet van werkloosheid naar werk, maar van productieve naar bestuurlijke arbeid. De overheid trekt uit dezelfde vijver, en doet dat met arbeidsvoorwaarden die stabiliteit en zekerheid bieden in een onzekere economie.
Dat zou minder wringen als de extra inzet zich vertaalt in zichtbare productiviteit. Maar de groei zit voor een belangrijk deel in juridische functies, bezwaarprocedures, toezicht en interne verantwoording. Werk dat niet leidt tot meer productie of versnelling van innovatie.
Tegelijkertijd klinkt vanuit diezelfde overheid de oproep om meer te werken, om arbeidsparticipatie te verhogen, om tekorten in cruciale sectoren op te lossen. De grootste vragende partij op die arbeidsmarkt is echter diezelfde overheid geworden.
Daar komt nu een volgende laag bij. De geplande uitbreiding van Defensie zal de vraag naar personeel verder vergroten, juist in profielen waar de schaarste al het grootst is. Technici, IT-specialisten, logistiek personeel, het zijn dezelfde mensen die ook nodig zijn voor industrie, energie en infrastructuur.
Ik probeer het te begrijpen. De overheid zet in op versnelling van de energietransitie, op verduurzaming van industrie, op uitbreiding van het elektriciteitsnet en het bouwen van woningen. Tegelijkertijd doet diezelfde overheid een steeds groter beroep op de mensen die dat werk moeten uitvoeren. Wie bedenkt zoiets. Handen die nodig zijn voor isolatie, netverzwaring en industriële innovatie, worden aan de markt onttrokken. Zo ontstaat er een stille herverdeling van arbeid via groei die zich vanzelf lijkt te voltrekken. Meer mensen bij de overheid betekent simpelweg minder mensen elders. We vissen immers allemaal in dezelfde vijver.
De rekening zie je niet direct in euro’s, maar in vertraging. Projecten die langer duren. Netten die later worden verzwaard. Bedrijven die niet kunnen opschalen. En een overheid die maar blijft groeien, terwijl iedereen zich afvraagt waarom alles zo langzaam gaat.
Had geen zin om naar Eva te kijken, dus ik keek om 19u even naar het VRT-journaal. Daar kwam een item voorbij met als titel 'Wachtrijen aan grens door stijgende brandstofprijzen'. Ze lieten een lange file bij een tankstation zien, ze zeiden dat Nederlanders altijd al graag over de grens kwamen tanken en interviewden een paar Nederlandssprekenden, maar ook anderstaligen. Dat werd feitelijk gebracht, zonder oordeel, met vooral aandacht voor verkeersproblemen incl. mogelijke oplossingen, gebracht door een lokale burgemeester. In de laatste paar seconden interviewden ze een tankstationhouder die vertelde dat de hij niet blij is met de drukte (het woord 'Nederlanders' werd door hem niet gebruikt) vanwege prijsafspraken en dat hij verlies lijdt. Dat was niet de hoofdtoon van het item én er werd ook niet gegeneraliseerd.
Ik keek net, om 20u, naar het NOS Journaal. Daar werd datzelfde item gebracht, maar met deze aankondiging en titel 'België heeft genoeg van Nederlanders die in België komen tanken'. De NOS maakt er een compleet zeikitem van, terwijl de Belgen het op hun eigen journaal veel feitelijker brengen zonder de nadruk te leggen op wat ze vinden van 'de Nederlanders'. Waarom brengt de NOS dit nieuws met opzet negatiever en veroordelender dan de Belgen zelf? Ik kan wel een reden bedenken, maar dat moet iedereen voor zichzelf maar invullen.
#Journalistiek
For anyone who would like to hear Mark Carney’s outstanding Davos speech in full here it is. This is what true global leadership looks like.
Canada should be immensely proud today, because they are leading the fight back when others dare not.
🎥 TikTok - https://t.co/BExGV2YIDq
Een ochtendcolumn
Vrijheid onder voorwaarden
De Raad voor Cultuur waarschuwt dat de artistieke vrijheid in Nederland onder druk staat door populisme en polarisatie. Wetgeving moet kunstenaars beter beschermen, zo vat de NOS het advies samen. Het klinkt als een herkenbare diagnose, maar wie kijkt naar wat zich in de culturele praktijk afspeelt, ziet een andere dynamiek. Niet een vrijheid die van buitenaf wordt aangevallen, maar een vrijheid die van binnenuit wordt ingeperkt.
We zeggen het inmiddels bijna achteloos. Jiskefet kan vandaag niet meer gemaakt worden. Niet als nostalgische verzuchting, maar als constatering. De vraag wie dat zou verbieden, blijft meestal hangen. Er is geen wet die het verhindert, geen minister die scripts schrapt, geen populistische partij die ingrijpt. Toch weet iedereen dat het niet meer zou gebeuren. Niet door repressie, maar door anticipatie. Door zelfcensuur.
Dat mechanisme is breder zichtbaar. Kunnen we het werk van Rembrandt nog bekijken zonder eerst stil te staan bij de herkomst van het geld van zijn opdrachtgevers? Kunnen schilderijen nog spreken zonder te worden omgeven door context, schuld en morele duiding?
Bij Picasso werd die verschuiving scherp zichtbaar in het Picasso-jaar 2023, vijftig jaar na zijn dood. Het debat draaide minder om zijn werk dan om zijn gedrag. NRC schreef dat hij een genie was als schilder, maar dat de mens Pablo Picasso steeds meer vragen opriep. In Spanje wilden kunsthistorici naast exposities over zijn kunst expliciet aandacht voor hoe hij met vrouwen omging. Niemand verbood Picasso, maar onbevangen kijken werd onmogelijk. Het oeuvre werd een moreel dossier.
Een vergelijkbare verschuiving zien we in de podiumkunsten. Het Concertgebouw heroverwoog zijn houding ten opzichte van Israëlische kunstenaars en samenwerkingen. Niet vanwege de muziek, maar vanwege de politieke context waarin die muziek wordt geplaatst. Geen verbod, geen staatsingrijpen, maar een bestuurlijke afweging.
Die beweging beperkt zich niet tot zalen en musea. Ook in de publieke ruimte is zij zichtbaar. In de jaren zestig stonden kunstenaars op de barricaden voor vrijheid in het openbaar domein. Kunst moest zichtbaar zijn, confronterend, los van moraal en gezag. Straat en plein waren plekken waar vrijheid werd bevochten. Nu gebeurt het omgekeerde. Onder druk van religieus-culturele gevoeligheden trekken bestuurders die vrijheid stap voor stap terug. Bloot, satire en provocatie verdwijnen niet door wetten, maar door veiligheidsafwegingen en angst voor aanstoot. Wat ooit bevochten werd als publieke vrijheid, wordt nu administratief begrensd.
Die voorzichtigheid is niet neutraal. Zij is het product van bestuurders met een ruggengraat van rubber. Bestuurders die kunst en cultuur tot morele etalages hebben gemaakt en nu schrikken van de gevolgen.
De angst om een fout te maken is groter geworden dan de bereidheid om vrijheid te verdedigen. Artistieke keuzes zijn verworden tot risicoanalyses, programmering tot reputatiebeheer. Vrijheid is geen uitgangspunt meer, maar een privilege dat vervalt zodra zij schuurt.
Dit alles heeft weinig te maken met populistische politiek. Geen enkele partij eist dat musea Rembrandt heretiketteren of dat concertzalen Israëlische musici weren. De druk komt niet uit Den Haag, maar uit bestuurskamers en programmaraden, uit instellingen die zichzelf graag als moreel voorbeeld zien en daardoor steeds voorzichtiger worden.
Het NOS-artikel stelt terecht dat de druk vooralsnog vooral uit de samenleving komt. Maar wetgeving tegen politieke inmenging is geen antwoord op zelfcensuur en morele uniformiteit. Je kunt geen wet maken tegen een sector die liever geen gedoe heeft.
Raad voor Cultuur wil wetgeving om artistieke vrijheid te beschermen
https://t.co/n0HgGWrGwi