Een ochtendcolumn
De rekensom achter ondernemerschap
De ondernemer waar de politiek zo graag over spreekt, bestaat niet. Of beter gezegd, hij zit in het midden. Het CBS zet het mediane inkomen van een ondernemer met personeel op €64.100 per jaar.
Om dat inkomen te bereiken, moet eerst het bedrijf draaien. Tien werknemers, gemiddeld €3.500 bruto per maand, samen €504.000 per jaar. Met werkgeverslasten erbij komt dat op €644.000. Daarvan vloeit €260.000 tot €280.000 direct naar de overheid, werknemers houden ongeveer €360.000 netto over.
Daarbovenop komen €80.000 voor het pand, €25.000 voor energie en lokale lasten, €35.000 voor voertuigen, waarvan €20.000 brandstof en circa €10.000 belasting, €20.000 voor verzekeringen met €4.000 assurantiebelasting, en €40.000 overige kosten. Samen €200.000. Nog vóór de ondernemer iets verdient, staat de teller op €844.000.
Om uit te komen op €64.100 inkomen is ongeveer €115.000 winst nodig. Daarover wordt €20.000 tot €25.000 belasting betaald. Netto resteert €45.000 tot €48.000. Daarvoor is circa €959.000 omzet nodig.
Van die €959.000 gaat €644.000 naar personeel, €200.000 naar kosten en €20.000 tot €25.000 naar winstbelasting. Wat overblijft is ongeveer €45.000 netto.
Die tien werknemers dragen op hun beurt in dertig jaar €7.800.000 tot €8.400.000 af via loonbelasting en premies, en nog eens €1.800.000 tot €2.400.000 via btw en accijnzen. In totaal ruim €9.600.000 tot €10.800.000, voortgebracht door één onderneming.
Daarmee begint het privéleven. Eigen woning, €1.500 tot €2.000 lokale lasten en €1.000 tot €2.000 via het eigenwoningforfait. Spaargeld van €100.000 kost €1.000 tot €2.000 belasting per jaar. Van het netto inkomen vloeit via btw en accijnzen nog eens €6.000 tot €8.000 terug naar de overheid.
Pensioen bouwt de ondernemer zelf op. Bijvoorbeeld via een tweede woning van €300.000 met €12.000 huur per jaar. In box 3 wordt gerekend met circa €18.000 fictief rendement, goed voor €6.000 tot €7.000 belasting. In het nieuwe stelsel wordt ook de waardestijging belast. Bij €9.000 stijging loopt het belastbare rendement op tot €21.000 en de belasting tot €7.000 à €8.000, ook zonder verkoop.
Er is geen vangnet. Geen WW, geen gegarandeerd pensioen. De buffer, gemiddeld €156.300 volgens het CBS, bedoeld om risico op te vangen, wordt straks direct belast naarmate die groeit. Het politieke bestuur vindt dat namelijk redelijk.
Over dertig jaar betekent dit circa €959.000 omzet per jaar, samen €28.800.000. Inclusief alle belastingen loopt de afdracht aan de overheid op tot €12.000.000 à €15.000.000.
Wat resteert is circa €45.000 netto per jaar, samen ongeveer €1.350.000, waarover opnieuw belasting wordt betaald via consumptie, vermogen en uiteindelijk de onvermijdelijke erfbelasting die volgens de geleerden nog flink omhoog kan.
De cijfers laten zich eenvoudig lezen. Bijna €1.000.000 omzet voor €64.100 inkomen. Tegen die achtergrond krijgt de oproep dat ondernemers meer moeten bijdragen misschien een wat andere betekenis. Niet omdat bijdragen op zichzelf onredelijk is, maar omdat zichtbaar wordt hoeveel er al wordt bijgedragen.
En ja ik heb het niet over steeds veranderende regelgeving en eisen. Ik kan ook best een belasting of heffing over het hoofd gezien hebben net als de risico’s, tegenslagen ziektelasten personeel of de transitiekosten. Of de belastingen bij bedrijfsoverdracht naar een van je kinderen.
Risico’s zowel privé als zakelijk en het toenemende negatieve maatschappelijke sentiment van het politieke bestuur. waar je tegen bestand moet zijn als ondernemer. Dat je een graaier bent of een huisjesmelker. Terwijl je niets anders deed dan je toekomst organiseren binnen alle wettelijke regels. Je vraagt je wel af wie hier nog aan wil beginnen.
Het Midden-Oosten in brand en minder dan 5% gas in NL opslag. Voldoende voor 8 dagen NL gasverbruik. Bewust resultaat van het gevoerde energiebeleid.
Het gebeurde ooit eerder, maar toen hadden we nog Groningen dat naar believen kon worden opengezet.
#grafiekvandedag#kwetsbaar
Besturen zonder werkelijkheid
Het fundamentele probleem van de hedendaagse politiek is niet ideologisch, maar praktisch. Steeds meer bewindslieden hebben nooit geopereerd in de werkelijkheid die zij geacht worden te besturen. Hun loopbaan volgt een voorspelbaar patroon: studie, beleidsfunctie, partijapparaat, Kamer, kabinet. Dat is geen kwalificatie, dat is een gesloten circuit.
Neem de minister van Financiën. Een keurige academische route, gevolgd door functies binnen ministeries en fracties, en vervolgens de sprong naar het hoogste financiële ambt van het land. Zonder ooit zelf eindverantwoordelijkheid te hebben gedragen voor een onderneming, zonder ooit onder druk liquiditeit te hebben moeten managen, zonder ooit te hebben ervaren wat het betekent als een beslissing directe economische consequenties heeft.
Hetzelfde geldt voor andere sleutelposities. Ministers op dossiers als zorg, wonen en defensie worden benoemd zonder aantoonbare inhoudelijke of operationele ervaring in die sectoren. Dat zou nog te verdedigen zijn als zij vervolgens zelfstandig richting geven. Maar precies dat ontbreekt.
En dan de minister-president. Nog geen veertig, een achtergrond in bedrijfskunde en een carrière die zich volledig binnen de politiek heeft afgespeeld. Van klimaatminister naar premier. Op een van de meest complexe dossiers van deze tijd, energie en klimaat, is diep technisch en economisch begrip geen luxe, maar een vereiste. Het gaat over netcapaciteit, baseload, intermittentie, investeringscycli en systeemrisico’s.
Toch zien we beleid dat zich loszingt van die realiteit. Sluiting van kolencentrales zonder robuust alternatief. Elektriciteitsnetten die het niet aankunnen. Hernieuwbare capaciteit die structureel onvoldoende stabiele energie levert. En uiteindelijk de onvermijdelijke draai richting kernenergie. Geen visie, maar correctie achteraf.
Wat hier zichtbaar wordt, is een systeem waarin de feitelijke macht verschuift. Niet de minister bepaalt, maar de ambtelijke structuur die beschikt over kennis, continuïteit en dossierbeheersing. De Algemene Bestuursdienst en de departementen formuleren, bewaken en sturen. De minister presenteert, verdedigt en nuanceert.
Dat is geen leiderschap, dat is bestuur zonder werkelijkheid.
Soms wordt dat zelfs pijnlijk concreet. Het idee om gasputten in Groningen definitief met beton te vullen, een besluit dat vooral ideologisch en symbolisch oogt, zonder oog voor toekomstige onzekerheden of veranderende energiebehoeften, laat zien hoe ver beleid kan losraken van praktische rationaliteit. In een wereld die voortdurend verandert, sluit je geen opties af, je houdt ze open.
De econoom Lex Hoogduin heeft daar vaker voor gewaarschuwd. Modellen suggereren een schijnzekerheid die in werkelijkheid niet bestaat. We opereren in complexe systemen, onder fundamentele onzekerheid. Wie denkt dat de werkelijkheid zich laat vangen in spreadsheets en beleidsmodellen, vergist zich fundamenteel.
Daarbij komt nog een andere, minstens zo relevante observatie. Modellen zeggen vaak meer over degene die ze opstelt dan over de werkelijkheid die ze pretenderen te beschrijven. Ze weerspiegelen aannames, voorkeuren en beperkingen van de maker, en geven daarmee een schijn van objectiviteit aan iets wat in wezen selectief en gekleurd is.
En precies daar wringt het. Als bestuurders niet beschikken over ervaring, maar wel vertrouwen op modellen die de werkelijkheid vereenvoudigen, ontstaat beleid dat logisch oogt op papier, maar faalt in de praktijk.
Nederland kan dat nog een tijd dragen, dankzij sterke instituties en opgebouwde welvaart. Maar het is een kwetsbaar evenwicht. Want uiteindelijk geldt een eenvoudige regel: wie de werkelijkheid niet begrijpt, kan haar ook niet besturen.
En dat is geen theoretisch probleem. Dat is om te janken.
Dr Gert Jan Mulder
Met de kennis van nu weet iedereen wat er tóén nodig was. Maar vaak hadden we die kennis toen ook al. Zo heeft Nederland zijn energievoorziening jarenlang veronachtzaamd. De vraag is of het nieuwe kabinet wél kiest voor gezond verstand boven ideologie. Een (lang) draadje...🧵1/25
Een sterke post van Wouter.
Als ondernemer in Nederland, en als belegger die met zijn eigen verdiende geld (veel) risico neemt om een financieel gezonde toekomst op te bouwen, is dit spot-on.
Ik ben nog nooit zo teleurgesteld geweest in het gevoel dat Nederland steeds minder geschikt lijkt te worden voor iemand die graag onderneemt en investeert.
Een ochtendcolumn
De ondernemer zonder vangnet
Ik verwonder mij daar al jaren over. Een werknemer die zijn baan verliest krijgt een WW-uitkering. Dat vinden we normaal. Werk geeft rechten, dus ook bescherming als het misgaat. Dat is beschaving.
Maar wie onderneemt valt buiten dat verhaal.
In Nederland zijn er rond de twee miljoen bedrijven. Vrijwel allemaal vallen ze onder het midden- en kleinbedrijf. Het overgrote deel bestaat uit kleine ondernemingen met een beperkt aantal medewerkers, vaak geleid door één eigenaar. Veel daarvan draaien rond modaal. Bij een stevige tegenvaller valt het inkomen direct weg.
Toch is het sociale stelsel nog steeds alleen gebouwd rond loondienst. Wie werkt met een arbeidscontract betaalt premie en bouwt rechten op. Wie werkt voor eigen rekening doet dat niet. Dat geldt voor de zelfstandige zonder personeel, maar net zo goed voor de eigenaar van een klein bouwbedrijf, een winkel met drie medewerkers of een adviesbureau dat afhankelijk is van een paar opdrachten per jaar.
Zodra er resultaat wordt gemaakt, volgt belasting. Dat is logisch. Ondernemen betekent bijdragen. De fiscus rekent vooruit nog voor de omzet concreet is ligt de blauwe enveloppe op de mat. Maar zodra de omzet terugvalt, is er geen vergelijkbare systematiek van inkomensbescherming. Het risico ligt volledig bij de ondernemer.
Daar zit de spanning. Het grootste deel van het Nederlandse bedrijfsleven bestaat uit kleine ondernemingen. Geen directeuren met een jacht in Monaco. Toch is het vangnet primair gekoppeld aan het arbeidscontract, niet aan het feit dat iemand economisch actief is en belasting afdraagt.
Een tussenruimte ontbreekt. Er is geen eenvoudige manier om in goede jaren iets vast te zetten voor slechtere jaren zonder dat daar direct belasting over wordt geheven. Dat kan opgelost worden. Geef de mogelijkheid om een deel van het ondernemingsinkomen tijdelijk apart te zetten op een geblokkeerde rekening, uitsluitend bedoeld voor periodes van inkomensval of beëindiging van de onderneming. Geen subsidie, geen collectieve pot, geen nieuw loket. Belasting wordt betaald op het moment dat het geld daadwerkelijk wordt opgenomen.
Dat maakt ondernemen niet veilig. Het verandert niets aan het principe dat risico bij het vak hoort. Het voorkomt alleen dat een tijdelijke terugval direct uitmondt in schulden of bijstand. Het dempt de directe aanslag op collectieve voorzieningen.
Wie werkgelegenheid creëert, belastingen afdraagt en publieke voorzieningen mee financiert, zou de ruimte moeten krijgen om het eigen risico iets verstandiger te organiseren. Niet om het te vermijden, maar om het over de tijd te spreiden.
Het onderscheid tussen werknemer en ondernemer blijft bestaan. De vraag is alleen of het systeem logisch genoeg is ingericht voor een economie waarin bijna alle bedrijven klein zijn en afhankelijk van de draagkracht van de eigenaar.
Een ochtend column
Ondernemend Nederland betaalt mee aan de eigen ondergang.
Er is een verschuiving gaande die zelden wordt benoemd. De overheid trekt arbeid weg uit productieve sectoren en concentreert die in een domein waar productiviteitsgroei structureel achterblijft. Volgens het CBS ligt de jaarlijkse arbeidsproductiviteitsgroei in de marktsector al jaren rond de 1 tot 2 procent, terwijl die bij de overheid en zorg vrijwel stagneert. Tegelijk groeide het aantal ambtenaren de afgelopen tien jaar met ruim 15 procent.
De beloning helpt mee. Een modale rijksambtenaar verdient al snel meer dan 60.000 euro per jaar inclusief werkgeverslasten, met bovengemiddelde pensioenopbouw en hoge baanzekerheid. In het MKB ligt het gemiddelde loon duizenden euro’s lager en zijn marges dun. De loonkosten per gewerkt uur in de publieke sector behoren inmiddels tot de hoogste van Europa.
Dan komt daar de nieuwe NAVO norm bij, zeg maar de Trumpnorm, die inzet op defensie-uitgaven van richting 3 procent van het bbp. Voor Nederland betekent dat grofweg 15 tot 20 miljard euro extra per jaar. Dat geld koopt materieel, maar vooral mensen. Defensie werft technici, IT’ers, logistiek personeel, koks. Precies de profielen waar ook het MKB om vecht.
Arbeid is geen abstractie. De kok die voor Defensie kiest, staat niet meer in een restaurant in Deventer. De technicus die een uniform aantrekt, installeert geen warmtepompen meer bij een ondernemer in Harlingen. In een economie met krapte, bijna 400.000 openstaande vacatures volgens het UWV, is elke overstap voelbaar.
Het wrange mechanisme is helder. Het bedrijfsleven financiert via belastingen een uitdijende overheid die met diezelfde middelen personeel aantrekt tegen voorwaarden waar ondernemers niet tegenop kunnen bieden. De belastingdruk stijgt, de loonkosten lopen op, de concurrentie om arbeid wordt heviger. Ondernemend Nederland betaalt zo mee aan de eigen ondergang.
Wie economische weerbaarheid serieus neemt, kijkt niet alleen naar tanks en begrotingsnormen, maar ook naar de vraag waar arbeid het meeste rendeert. Groei ontstaat in bedrijven die waarde toevoegen, exporteren en innoveren. Een economie kan veel dragen, maar geen systeem waarin productieve arbeid systematisch verschuift naar sectoren zonder productiviteitsgroei. Dat is geen ideologisch punt, het is rekenkunde.
Nederland ontploft nu het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 door de Tweede Kamer is aangenomen. Het is het zoveelste voorbeeld van bestuurlijke dwaling.
Beleggers met kleinere vermogens, hogere rendementen (overschat uzelf daarbij overigens niet), inflatie en belasting op geld dat al minstens één, maar vaak meerdere keren is belast. Het is bepaald geen fraai geheel.
Maar er zijn nog twee punten die laten zien dat de overheid het contact met de werkelijkheid volledig is kwijtgeraakt.
Ten eerste: ook al zitten sommige ziedende beleggers er soms duidelijk naast in hun interpretatie van wat de nieuwe wet precies betekent (bijvoorbeeld dat beleggen geen zin meer zou hebben), in hun beleving is dit het laatste zetje om Nederland te verlaten.
Dat heeft enorme consequenties voor de maatschappij, het groeivermogen van ons land en uiteindelijk ook voor de overheidsinkomsten. Er verdwijnt niet alleen belastbaar vermogen naar het buitenland, ook het human capital (kennis, vaardigheden, ervaring, talent) van deze mensen vertrekt mee. In een snel vergrijzende samenleving, waarin ook op het dossier immigratie de ene na de andere politieke blunder wordt gemaakt, is dat funest.
Van een afstand roepen dat het wel meevalt? Fout. De groep mensen die serieus overweegt te vertrekken groeit exponentieel, geholpen door ervaringsdeskundigen, websites en gespecialiseerde dienstverleners. Bewindslieden moeten dit adresseren.
Zoals ik in mijn boek De Grote Herbalancering beschreef, zag Noorwegen een enorm gat in de begroting ontstaan nadat de vermogensbelasting (een veel betere belastingregel, by the way) met slechts 0,25 procentpunt werd verhoogd.
Ten tweede: de Nederlandse overheid lijkt geen enkel begrip te hebben van de invloed van haar eigen beleid op de begroting. Zoals onder meer Kapé Breukelaar heeft becijferd (zie grafiek), levert de nieuwe belastingwet de overheid niet méér inkomsten op, maar wél extreme onzekerheid over de omvang daarvan. Soms komt er jarenlang zelfs niets binnen. Onzekerheid is economisch en maatschappelijk extreem destructief.
Duizenden boeken van vooraanstaande economen en psychologen laten zien dat onzekerheid groei, in de breedste zin van het woord, remt. Ondernemers nemen minder risico en investeren niet, consumenten stellen bestedingen uit en overheden bouwen steeds grotere begrotingsmarges in. Deze wet breekt het aanpassingsvermogen, de flexibiliteit, en de concurrentiekracht van Nederland.
Hoewel de focus van de nieuwe wet logischerwijs ligt op de impact op beleggers, is het misschien nog wel bizarder dat de overheid een wet aanneemt die haar eigen positie op alle mogelijke manieren uitholt. Alleen dat al zou een doorslaggevende reden moeten zijn om deze wet alsnog af te schieten.
Maar ja, dan moeten er wel bewindslieden zijn die kunnen rekenen en verbanden leggen met de maatschappij. Soms helpt het daarbij om een studie af te maken. Maar dat is voor een andere keer.
@Japked Overal volledig aan meedoen, maar ook voorstellen om alle cadeaus voor de verjaardag van jouw oma en oudtantes en geboorte van alle kittens uit de pot laten betalen.
N.B.: het essay is weliswaar geschreven op verzoek van Pieter Omtzigt, maar is geen politiek gekleurd stuk. Het is een brede analyse van de woningmarkt met oplossingen.
"De Woningcrisis in Nederland” van @PJBoelhouwer gelezen. Brede analyse van de problemen in de woningmarkt met oplossingen. Belangrijkste boodschap: De politiek moet een langetermijnvisie ontwikkelen, het Rijk moet de regie pakken en jaarlijks een budget van 3-5 miljard.
.. beperkte capaciteit ambtelijke apparaat, negatief rendement particuliere beleggers door fiscale en huurreguleringsmaatregelen, etc. etc. Veel recente maatregelen van de politiek ogen (electoraal) sympathiek, maar hebben helaas een negatief effect op het woningaanbod.
Wat goed om te zien dat Rotterdam een duidelijke visie (no net loss) heeft op het behoud van ruimte voor de maakindustrie. Dat zouden meer steden moeten doen.
Rotterdam werkt aan een aantrekkelijke stad. Minimaliseer transformaties van werklocaties naar wonen, benut bestaande werklocaties beter en ‘het juiste bedrijf op de juiste plek’. Hulde @RobertSimonsLR@rotterdam@VNONCW010 https://t.co/W8FwDEXZ66
Een ode aan het belang van de ruimtelijke ordening. Terechte oproep @MStellinga@nrc om het ruimtelijke debat stevig op agenda voor de verkiezingen te zetten.