Ik zie hier in Barneveld met angst en beven het komende korfbalseizoen tegemoet.
Elk weekend (niet op zondag trouwens) trekken de leden en aanhangers van de Christelijke Korfbalvereniging "Ons Doel Is Korfballen" (ODIK) na een wedstrijd -maakt niet uit of ze gewonnen of verloren hebben- brandschattend en plunderend door het dorp, rokende puinhopen achterlatend. En de politie doet niks.😑😢
@IkNet@MonaKeijzer@Rob_Roos@lidewij_devos Mona vroeg om afstand van deze onfrisse jongens.⬇️ Zo bizar is dat niet wanneer je kijkt naar de overtuigingen van die lieden. Ze zijn nu nog actief in de gemeenten en ik snap dat Mona liever niet samen optrekt met deze dubieuze kereltjes.
In Het Parool lees ik een interview met extremisme-expert Nikki Sterkenburg. De kop bepaalt meteen de toon met een quote van Sterkenburg: Extremisme-expert over azc-rellen: ‘Er zit niet altijd een ideologie achter deze racistische uitbarstingen’
Daar gaat al veel sturing van uit. Namelijk: de azc-protesten zijn rellen. De azc-protesten zijn soms ideologisch. En de azc-protesten zijn racistische uitbarstingen.
Die informatie heb ik al binnen en dan heb ik enkel de titel boven het interview nog maar gelezen.
Als lezer stap ik zo het artikel binnen. Het is direct duidelijk dat het niet zal gaan over waarom mensen demonstreren en of ze überhaupt een punt hebben. Nee, we gaan het hier primair hebben over racisme in de Nederlandse samenleving.
In het begin van het interview lijkt Sterkenburg de azc-demonstranten nog te duiden als een diffuse groep mensen zonder georganiseerd, ideologisch doel. Omwonenden, burgers van verderop, rellende tieners, voetbalhooligans, anti-institutionele types en enkele bekenden uit extreemrechtse kring. Geen georganiseerde beweging. Geen duidelijke aansturing. Geen groep die achter de schermen aan de touwtjes trekt.
Dat is op zichzelf een interessante opening. Want als de groep werkelijk diffuus is, moet je preciezer kijken. Dan moet je onderscheiden tussen lokale woede, bestuurlijk wantrouwen, hooliganisme, groepsdynamiek, anti-overheidssentiment, racisme, extremisme en gewone machteloosheid.
Maar dat gebeurt dus niet.
Sterkenburg duidt de rellen als “een perfecte storm van politieke en maatschappelijke onvrede over problemen die niet worden opgelost en diepgeworteld racisme in de samenleving.”
Het eerste deel van die zin is veel interessanter dan het tweede. Politieke en maatschappelijke onvrede over problemen die niet worden opgelost: dáár zit de spanning. Welke problemen worden niet opgelost? De druk op de asielketen? Het gebrek aan lokaal draagvlak? De manier waarop opvanglocaties worden aangewezen? Het gevoel dat inspraak slechts een ritueel is? De kloof tussen bestuurstaal en lokale ervaring?
Maar dat spoor wordt niet gevolgd. Het wordt genoemd en vervolgens overvleugeld door het moraliserende frame: diepgeworteld racisme.
Daarmee verdwijnt de concrete casus direct uit beeld. De azc-protesten worden niet werkelijk geanalyseerd, maar gebruikt als opstap naar een bredere diagnose over Nederland. Het gaat niet langer om deze mensen, op deze plek, in dit bestuurlijke conflict. Het gaat om racisme, normverval en een samenleving die volgens Sterkenburg niet meer voldoende tegenspreekt.
Juist daar had het interview kritisch moeten worden. Als de conclusie is dat de groep diffuus is en er geen duidelijke aansturing bestaat, dan ligt de journalistieke taak juist in het uitpluizen van die diffusiteit. Welke motieven lopen door elkaar? Waar eindigt legitieme lokale onvrede en waar begint intimidatie? Welke rol speelt bestuurlijk wantrouwen? Welke rol speelt racisme? Welke rol spelen geweldzoekers?
Die vragen blijven liggen, waardoor het alleen nog gaat over het brede frame van racisme en normverval. Alle onvrede, kritiek, bezwaren en zorgen worden uiteindelijk ondergebracht in dat verklarend kader.
Natuurlijk kan racisme een rol spelen. Natuurlijk kunnen extremistische figuren zich aansluiten bij zulke protesten. Natuurlijk kunnen geweldzoekers en hooligans de situatie laten escaleren. Maar juist als je zelf zegt dat de groep diffuus is, vraagt dat om een analyse die meerdere oorzaken tegelijk kan verdragen. Niet om één verklarend label dat alles absorbeert.
Wie de azc-protesten werkelijk wil begrijpen, moet ook kijken naar bestuur, macht, inspraak, draagvlak, lokale druk en institutioneel wantrouwen. Sterkenburg doet dat nauwelijks. Ze duidt het probleem niet zozeer, maar plaatst het binnen haar bredere beeld van de Nederlandse samenleving: wat er gebeurt, wordt ondergebracht in een verklaringskader dat al klaarstaat.
Racisme werkt hier niet als één mogelijke factor naast andere factoren, maar als een ordenend principe. Het verklaart niet alleen de uitbarsting zelf, maar ook waarom anderen die uitbarsting volgens Sterkenburg niet genoeg veroordelen. Dat kader is simpel, maar juist daardoor krachtig: wie erin meegaat, hoeft niet langer scherp te kijken naar bestuurlijk falen, politieke machteloosheid of lokale frustratie. Dan blijft de wereld overzichtelijk verdeeld tussen mensen die het probleem zijn en mensen die het probleem herkennen.
Dat zie je ook in de oplossing die Sterkenburg aandraagt. Mensen die bij azc-protesten zijn geweest, zouden daar op een feestje niet meer over moeten durven opscheppen. Ze zegt niet te pleiten voor sociaal isolement, maar haar oplossing leunt wel zwaar op sociale beschaming. De omgeving moet weer normeren.
Daarmee eindigt het interview niet bij de vraag hoe deze protesten zijn ontstaan, maar bij de vraag hoe de omgeving deze mensen moreel moet corrigeren.
In plaats van maatschappelijke duiding krijgen wij als lezers een opvoedkundige opdracht.
Het interview: https://t.co/nMhAbT5kDm
#Parool #AZC #Asielbeleid #Journalistiek #Framing #Racisme
Elk jaar opnieuw. De Dam. De kransen. De twee minuten. Het Concertgebouworkest. De koning met een ernstig gezicht. Scholieren die een gedicht hebben geschreven. Een overlevende die steeds ouder wordt en steeds korter spreekt. Een burgemeester die zegt dat we nooit mogen vergeten.
En dan, op 5 mei, bier.
Dit jaar verscheen op 4 mei in NRC een opiniestuk van historicus Jos Palm. De vraag die hij stelt: hoe herdenken we straks de Shoah als Israëls oorlogsmisdaden niet ophouden? De oplossing die hij aanbiedt: depolitisering van de Holocaust, te bereiken door Israël ondubbelzinnig te veroordelen. Eerst betaal je de aflaat. Dan krijg je de absolutie. Dan mogen de doden weer betekenis hebben.
Dat Palm dit schrijft op 4 mei, in Nederland, zonder dat iemand zijn wenkbrauwen optrekt, zegt alles. Niet over Palm. Over Nederland.
Want antisemitisme is geen importproduct. Geen bijwerking van het Midden-Oostenconflict. Geen vergissing van de buitenwijken. Het is Europees erfgoed. Het zit in de kathedralen, in de Verlichtingsfilosofie, in de rechtszalen, in de spoorwegen, in de ambtenaren die gewoon hun werk deden. Nederland deporteerde 73 procent van zijn Joden. Het hoogste percentage van West-Europa. Niet met schreeuwen. Met formulieren. Met de stille, efficiënte toewijding van een land dat zijn werk goed doet.
Daarna schreef Nederland zichzelf een certificaat van berouw.
Dat certificaat hing aan de muur. Bij de ingang van het Holocaustmuseum. In de toespraken op de Dam. In de schoolboeken, de documentaires, de collectieve overtuiging dat wij, anders dan onze grootouders, hebben geleerd. Auschwitz als bewijs van Nederlandse beschaving. Zes miljoen doden als fundering voor het morele zelfvertrouwen van het land dat hen op de trein heeft gezet.
Gaza is blijkbaar de vervaldatum van dat certificaat.
Want elke generatie vindt een nieuwe naam voor dezelfde gedachte. Christusmoord. Kapitalisme. Bolsjewisme. Nu Israël. De verpakking vernieuwt. De beweging niet. Elke generatie vindt een nieuwe verfijnde manier om de Jood verantwoordelijk te maken voor de vijandschap jegens de Jood. Palm vraagt begrip voor mensen die Israël en Joden op één hoop gooien. Hij noemt het een denkfout. Joodse scholen worden bewaakt. Mensen verbergen hun davidster. Palm vraagt begrip.
Vroeger met laarzen.
Nu met een ernstige blik.
In NRC.
Op 4 mei.
Om acht uur vanavond zwijgt Nederland twee minuten.
Dat zwijgen is oprecht. Daar twijfel ik niet aan. Nederland zwijgt oprecht, legt oprecht kransen, zingt oprecht het Wilhelmus, en schrijft oprecht opiniastukken over de vraag of de Joodse doden de herdenking nog verdienen. Alles met de grootst mogelijke ernst. Alles met het diepste respect. Nederland is hier heel goed in geworden.
Het heeft er tachtig jaar voor geoefend.
De doden staan op de Dam. Ze zijn er elk jaar weer. Trouwe aanwezigen. Ze zeggen niets, ze klagen niet, ze stellen geen voorwaarden. Ze zijn, in dat opzicht, de ideale Joden.
Nederland houdt van ze.
Eindelijk.
De Eerste Kamer herkauwt het politieke debat dat de Tweede Kamer al heeft gevoerd. Waarom? De asielwetten van Faber zijn al uitgebreid besproken. Ze eigenen zich politieke macht toe die hun niet toekomt. Als ze politiek willen bedrijven, hadden ze zich verkiesbaar moeten stellen voor de Tweede Kamerverkiezingen. Hun taak is om wetten te controleren op kwaliteit en niet de vraag te stellen of dit politiek gewenst is. That’s it!
Een bizarre poppenkast om naar te kijken.
Here in Hagia Sophia, on May 29th 1453, after 900 years of being a Christian cathedral, in the final hours of the Fall of Constantinople, a large number of Christian men, women, children, nuns, monks, priests, and others sought refuge from the Muslim invaders.
The Ottomans surged inside and massacred them.
On its holy altars they enacted “perversions with our women, virgins and children” including “the Grand Duke’s daughter who was quite beautiful” and forced to “lie on the great altar of Hagia Sophia with a crucifix under her head and then raped”
Those who were not murdered were enslaved.
Hagia Sophia resembled a “public brothel” before it was turned into a “stable for their horses”, with toppled altars used as troughs.
The Hagia Sophia’s main Crucifix was then paraded “in mocking procession” with “spitting and blasphemies and curses”.
“Behold the god of the Christians!” They jeered