Het was de week van de nieuwe bestuurlijke logica. In Amsterdam wil D66 een apart zwemuur voor vrouwen. Dat heet inclusie en keuzevrijheid. Sommige vrouwen zwemmen vanuit religieuze of culturele overtuigingen liever niet met mannen en door mannen een uur buiten het zwembad te houden, krijgen vrouwen er volgens die redenering vrijheid bij. Ik zag op TikTok een man vanuit religieus perspectief uitleggen waarom een aparte ingang voor vrouwen heel redelijk kan zijn. Op X kwam een vrouw voorbij die betoogde dat een aparte treincoupé voor vrouwen eigenlijk zo gek nog niet was. Daar ging het weer over veiligheid.
Drie verschillende argumenten, dezelfde uitkomst, mannen en vrouwen uit elkaar. Ik ben een man, dus ik hoef vrouwen niet uit te leggen wanneer een zwembad of treincoupé veilig voelt. Mijn gedachten gingen deze week een andere kant op toen ik Hidden Figures zag. De film vertelt het verhaal van drie zwarte vrouwen die begin jaren zestig bij NASA werkten en een bijna onvoorstelbare strijd moesten leveren om als gelijke behandeld te worden. Als vrouw en als zwarte Amerikaan.
Katherine Johnson moest naar een ander gebouw om naar het toilet te kunnen. Mary Jackson moest naar de rechter om onderwijs te mogen volgen dat alleen voor witte mensen toegankelijk was. Dorothy Vaughan deed het werk van een leidinggevende zonder de bijbehorende positie te krijgen. Het is een Amerikaanse film, dus de werkelijkheid krijgt uiteindelijk meer romantiek en rechtvaardigheid mee dan de geschiedenis doorgaans levert. De werkelijkheid erachter was harder. Generaties hebben gevochten tegen een samenleving waarin huidskleur en geslacht bepaalden waar je mocht zitten, door welke deur je naar binnen ging en welke ruimte voor jou bestemd was.
De overwinning was de gemeenschappelijke ruimte.
Dat beginsel leek zo vanzelfsprekend geworden dat we bijna vergeten zijn hoe revolutionair het ooit was. De bus had geen gedeelte meer voor de een en de ander. Een publieke voorziening was voor iedereen. Een vrouw hoefde geen eigen ingang te hebben om vrij te zijn. Haar vrijheid bestond eruit dat iedere ingang ook van haar was.
En nu beginnen we opnieuw te schuiven met deuren, uren en compartimenten. De argumenten zijn vriendelijker geworden. Religieuze vrijheid. Inclusiviteit. Sociale veiligheid. Keuzevrijheid. Niemand verlangt terug naar de segregatie van Amerika in 1961 en de vergelijking gaat historisch vanzelfsprekend mank. Interessanter is de verandering van het principe. Scheiding was iets wat emancipatie moest overwinnen. Inmiddels kan dezelfde fysieke scheiding worden gepresenteerd als instrument van emancipatie.
Daar komt nog iets bij. Waar werkelijk sprake is van intimidatie of bedreiging, hebben we een ander probleem opgelost door degene die er last van heeft te verplaatsen. Een vrouw die in een trein wordt lastiggevallen heeft geen vrouwencoupé nodig om vrij te zijn. Haar vrijheid bestaat eruit dat ze in iedere coupé kan gaan zitten en degene die haar lastigvalt eruit wordt gezet. Dat vereist geen inclusiebeleid maar gezag.
Ook daar zijn we merkwaardig voorzichtig mee geworden. We accepteren dat normen botsen, dat religieuze overtuigingen eisen stellen aan de publieke ruimte en dat grenzen van gedrag worden opgezocht. Handhaven, corrigeren en uitsluiten klinkt al snel hard. Een aparte ruimte creëren klinkt vriendelijker. Zo hoeft het conflict niet te worden beslecht. Iedereen krijgt zijn eigen stukje werkelijkheid.
Hidden Figures bleef daardoor langer hangen dan ik had verwacht. Niet omdat Nederland op het Amerika van de jaren zestig lijkt. Wel omdat de film eraan herinnert waarvoor mensen destijds eigenlijk vochten. Niet voor een betere aparte voorziening. Niet voor een comfortabeler eigen gedeelte. Niet voor een ingang waar niemand hen lastigviel. Ze wilden gewoon door dezelfde deur.
Het zou een merkwaardige bestuurlijke prestatie zijn als we zestig jaar later het plaatsen van een tweede deur vooruitgang noemen.
Het bagatelliseren van plagiaat als iets wat iedereen nu eenmaaal alledaags doet, is de doodsteek voor de wetenschap. Daar kunnen we niet duidelijk genoeg over zijn.
Dat een academicus plagiaat als iets bijna normaals ziet, geeft zeer te denken. Ook over zijn academische omgeving
Jason Arday was een beroemdheid binnen het Britse academische wereldje. Hoogleraar sociologie in Cambridge, gevierd als de jongste zwarte professor die daar ooit was benoemd en bekend door zijn uitzonderlijke levensverhaal: autistisch, als kind nauwelijks sprekend, pas op latere leeftijd leren lezen en schrijven en uiteindelijk professor aan een van de beste universiteiten ter wereld.
Toen begon Nathan Cofnas zijn werk te onderzoeken.
Cofnas is een Amerikaanse filosoof en onderzoeker aan de Universiteit Gent. Geen onomstreden figuur. Hij publiceert over evolutie, intelligentie, genetica en bevolkingsverschillen en verdedigt al jaren een eenvoudig maar tegenwoordig explosief uitgangspunt: een empirische hypothese mag niet van onderzoek worden uitgesloten omdat de mogelijke uitkomst politiek of moreel ongewenst is.
Cofnas onderzocht Ardays academische werk en kwam met beschuldigingen van plagiaat en andere ernstige tekortkomingen. De kwestie werd groot nieuws in Groot-Brittannië. Arday ontkende dat hij plagiaat had gepleegd, maar erkende fouten in zijn werk. Uiteindelijk vertrok hij bij Cambridge.
Op 14 augustus j.l. werd de 41-jarige Arday dood aangetroffen. Zijn overlijden wordt als vermoedelijke zelfmoord beschreven.
Daarmee veranderde een affaire over wetenschappelijke integriteit in een wereldwijde discussie over racisme, publieke vernedering, sociale media, journalistiek en verantwoordelijkheid. Arday werd massaal herdacht en de woede richtte zich mede op Cofnas.
Vervolgens schorste de Universiteit Gent Cofnas en startte een disciplinair onderzoek. UGent verwees daarbij zelf naar het overlijden van Arday en naar menselijke waardigheid, discriminatie en de grenzen van academische vrijheid.
Nu heeft de Amerikaanse regering zich ermee bemoeid.
De Amerikaanse missie in België beschuldigt UGent in buitengewoon harde taal van vergelding tegen een Amerikaanse wetenschapper na zijn volgens Washington correcte klokkenluiderswerk over academische fraude. De VS kondigen zelfs aan hun relaties met UGent te heroverwegen, inclusief samenwerking rond onderzoek en academische uitwisseling.
De Amerikanen voegen daar terecht iets essentieels aan toe: maak hiervan geen referendum over de denkbeelden van Cofnas.
Zijn opvattingen over intelligentie, genetica en bevolkingsverschillen zijn controversieel en worden door veel wetenschappers bestreden. Prima. Dat is wetenschap. Controleer zijn gegevens. Val zijn methodologie aan. Weerleg zijn conclusies.
Maar dat staat los van de vraag of zijn beschuldigingen over Arday klopten.
En ook Ardays tragische dood kan daarop geen antwoord zijn.
Zelfmoord is verschrikkelijk. Bedreiging, racistische intimidatie en persoonlijke vernedering zijn verwerpelijk. Maar als de norm wordt dat onderzoekers of journalisten achteraf verantwoordelijk worden gemaakt voor de persoonlijke gevolgen van het publiceren van correcte informatie, ontstaat een levensgevaarlijke prikkel.
Dan wordt niet meer alleen gevraagd: is het waar? Dan wordt gevraagd: kunnen we leven met wat er gebeurt wanneer het waar blijkt te zijn?
Dat is precies het soort vermenging van feiten en morele wenselijkheid waar Cofnas al jaren over schrijft.
Als Cofnas heeft gelogen, bewijs het. Als hij wetenschappelijke normen heeft geschonden, maak concreet welke. Als zijn beschuldigingen onjuist waren, weerleg ze.
Maar als de feiten kloppen, mag zelfs een verschrikkelijke afloop ze niet met terugwerkende kracht onuitspreekbaar maken.
Waarheidsvinding is geen systeem waarin de waarheid alleen gepubliceerd mag worden wanneer de gevolgen draaglijk zijn.
Voor een universiteit zou juist dat vanzelfsprekend moeten zijn.
Jason Arday shouldn’t be dead.
But he is dead - because he didn’t tell the truth.
And Cambridge University didn’t look for the truth - because he’s black.
And fellow black professors didn’t ask for the truth - because he is black.
Jason lied repeatedly.
And he told the exact lies that allow one to excel in the system that elite universities have adopted.
A system that factors in race, hardship, and lived experience under the banner of equity, instead of pure performance.
Nearly everyone in these institutions ignored Jason’s lies, to try and protect black people.
They called the people seeking the truth racists.
Of course there were some racists.
But the majority of people just wanted the truth.
Avoiding the truth didn’t help black people.
Double standards in academia aren’t helping black people.
They hurt the perception of black people who are truly the best, and would have held prestigious positions at elite schools, solely off the merits of their performance.
Double standards always backfire.
Even when well intentioned.
Even when intended to correct for past oppression.
Race-conscious hiring and admissions have created a situation where it is rational to wonder whether a black person has achieved their position because they were simply the best, or because they were good enough, and black.
This is not a racist thought.
It’s a rational thing to wonder when a system promotes people based on race.
It’s a thing I’ve wondered about myself, as someone who graduated from Harvard - which had race-conscious admissions.
No amount of insistence that it’s racist will make it racist.
It’s no more racist than it would be to wonder whether a white player got into the NBA off of just performance, if the NBA decided to focus on “fixing” the underrepresentation of white people.
This is the logical downside of race-conscious hiring and admissions.
You can think the downside is worth the upside.
But the downside remains.
Calling people with legitimate concerns racist didn’t protect black people.
It didn’t protect Jason.
It hurt black people who have earned their positions.
And it allowed a troubled man who built his career on lies to rise to a height so great that his fall from grace killed him.
We could have just had the truth.
Instead, we have a tragedy.
The Ardey affair just took an incredibly sad turn. I only wish peace upon Jason Arday, and, in particular, his family.
I didn’t write anything about the affair — despite having knowledge of the inner workings of Cambridge, and how the appointment didn’t surprise me at all. For some reason, commenting on it didn’t sit right with me, and I can’t really articulate why.
Clearly, Arday was a victim of our times. He was (most likely) brought to messiah-like status by people seeking virtue posturing. And he played along. That’s one side of the culture war. His downfall was instead celebrated, with quite some schadenfreude, by the other. And understandably so.
Yet this is a tragedy.
Can we please stop this now? Can academia return to what it once was. A place of diversity of thought, meritocracy, the place that challenged preconceived notions, not played along with them, and let us learn about the strange and wonderful world we live in.
I don’t know why I even write this. I just find the whole affair so sad.
Take care of each other.
The Jason Arday story gets funnier the more you dig into it.
He's a black Cambridge University professor of sociology has been caught plagerizing the work of others. Arday claims to have not been able to talk until 11, and learned to read and write at 18.
"In 2023, at age 37, he became the youngest black full professor in the history of Cambridge. He is one of the youngest people of any race to ever hold a chair professorship at Oxbridge.
In his spare time, Arday ran 30 marathons in 35 days and 300 miles in three days.
As of 2023, he had worked with 'more than 70' charities and raised more than £5 million."
Oh, and he's "barely slept" over the last 15 years.
Despite not being able to read and write at the time, he somehow got a General Certificate of Secondary Education, which generally requires that one be literate.
30 marathons in 35 days, or 300 miles in three days, would make him an elite-caliber athlete, and there is no evidence he ever did this other than his own words.
It's like performance art to see how desperate academics are for an inspirational black story. "Let's make the guy a serial plagiarist, and have him invent ridiculous stories about himself that would fall apart the moment anyone bothered to look."
Als de straat bepaalt wanneer de wet geldt, wie heeft dan nog het gezag?
De woorden van de ME-commandant zijn veelzeggend: "Als je gaat handhaven op kleine vergrijpen, wordt het oorlog." Dat is misschien bedoeld als een operationele afweging, maar de boodschap die bij de burger aankomt is een heel andere.
Blijkbaar bepaalt tegenwoordig niet meer de wet wanneer wordt opgetreden, maar de omvang van de menigte. Hoe groter en dreigender de groep, hoe kleiner de kans dat er wordt gehandhaafd. Daarmee ontstaat het beeld dat de straat bepaalt waar de grenzen liggen en niet langer de overheid.
De politie lijkt zich vooral te richten op één doel: zorgen dat de soep niet over de rand loopt. Wat er daaronder allemaal gebeurt, wordt voor lief genomen. Er wordt gedanst op politieauto's, zwaar vuurwerk afgestoken, roekeloos gereden, omstanders worden geïntimideerd of mishandeld, eigendommen vernield en agenten openlijk uitgedaagd. Zolang de situatie niet volledig escaleert, lijkt het alsof dit allemaal binnen de acceptabele marges valt.
Nog zorgwekkender is dat voor vrijwel iedere stap eerst toestemming van de driehoek nodig lijkt te zijn. Direct optreden moet via verschillende bestuurlijke schijven, terwijl de situatie op straat zich in seconden ontwikkelt. Dat werkt niet alleen traag, maar straalt ook besluiteloosheid uit. De relschoppers zien dat ook.
De rekening komt vervolgens bij de agent op straat terecht. Hij of zij staat daar om de wet te handhaven, maar krijgt tegelijkertijd de boodschap dat juist niet te doen. Uitjouwen, provoceren, bespugen, zwaar vuurwerk afsteken, rakelings langs gezinnen scheuren en vernielingen moeten soms maar worden geaccepteerd om escalatie te voorkomen. Dat is geen optreden vanuit gezag, maar vanuit gedwongen terughoudendheid.
Waar heb je dan nog je politieuniform, of om het beeld te gebruiken, je sheriffster voor gekregen? Om de wet te handhaven of om toe te kijken hoe die voor je ogen wordt overtreden? Als je alleen nog mag optreden wanneer de situatie veilig genoeg is, terwijl overtreders bepalen waar die grens ligt, wie heeft dan eigenlijk nog het gezag? Een agent die niet mag handhaven, verliest niet alleen zijn handelingsruimte, maar in de ogen van veel burgers ook een deel van zijn gezag. Daarmee worden politiemensen ongewild speelbal van relschoppers en van bestuurlijke besluiteloosheid.
De vraag dringt zich dan ook op hoe lang politiemensen dit nog accepteren. Hoeveel agenten blijven gemotiveerd als zij steeds vaker worden geacht te incasseren in plaats van op te treden? En hoeveel ervaren politiemensen zullen uiteindelijk besluiten de dienst te verlaten omdat zij zich niet meer herkennen in de manier waarop zij hun vak moeten uitoefenen? Helemaal geen vreemde gedachte wanneer je leest dat collega's soms niet meer de ordebus in willen, omdat zij het gevoel hebben er vooral te staan om te incasseren en niet om de wet te handhaven.
Natuurlijk is de-escalatie belangrijk. Niemand wil onnodig geweld of grote rellen. Maar als de overheid structureel afziet van handhaving omdat zij bang is voor de reactie van de overtreders, dan ontstaat een gevaarlijk precedent. Dan leert de straat één ding: hoe dreigender je bent, hoe kleiner de kans dat de overheid optreedt.
Een rechtsstaat is pas een rechtsstaat als de wet voor iedereen geldt, ongeacht de grootte of dreiging van de menigte. Op de dag dat de overheid zich laat leiden door de angst voor de reactie van relschoppers, verschuift het gezag van het stadhuis naar de straat. Dat is geen overwinning voor de-escalatie, maar een nederlaag voor de rechtsstaat.
Donderdag examenuitslag. De Stichting Meer Leren op School maakt zich ernstig zorgen over de politieke manipulatie van het eindexamen. Voor leerlingen, leraren en samenleving niet goed. Even lezen https://t.co/1GI66Wpwir?
Besturen tot het misgaat
Als universiteiten zelf gaan bepalen wanneer de wet geldt, is veiligheid geen recht meer maar een keuze
Er werd een simpele vraag gesteld.
Moet je aangifte doen bij oproepen tot geweld of bij vernieling?
Het antwoord had één woord kunnen zijn. Ja.
Maar in plaats daarvan kwam er een wolk van woorden. Context. Leercurve. Gesprekken met de sector. Bestuurlijke afstemming. Alsof de wet een discussiestuk is en geen grens.
En daar zit het probleem.
Want wat hier zichtbaar wordt, is geen incident. Het is een patroon. Universiteiten die zelf afwegen of strafbare feiten wel echt strafbaar zijn. Bestuurders die besluiten dat een vernieling misschien toch maar een jeugdzonde is. Geen aangifte, want dat kan gevolgen hebben voor de dader.
Alsof dat niet precies de bedoeling is van het strafrecht.
Het wordt nog wranger wanneer je ziet waar wél grenzen liggen. We bouwen safe spaces voor de gendergeneratie, maar geen veilige ruimte voor Joodse studenten. Een verkeerd woord, een verkeerd grapje, een verkeerde toon en de sociale sanctie volgt onmiddellijk. Trainingen, protocollen, meldpunten. Alles om een gevoel van veiligheid te waarborgen.
Maar wanneer er wordt gesloopt, geïntimideerd of openlijk wordt opgeroepen tot geweld, ontstaat ineens ruimte. Voor nuance. Voor begrip. Voor context.
Dat is geen beleid. Dat is selectieve ruggengraat.
En ondertussen blijft de minister praten. Over rapporten. Over aanbevelingen. Over het gesprek dat nog gevoerd moet worden. Terwijl de kernvraag al lang beantwoord had moeten zijn.
Wanneer de wet wordt overtreden, wordt er gehandhaafd. Punt.
Door het niet hard uit te spreken, gebeurt er iets gevaarlijks. De norm verschuift. Niet op papier, maar in de praktijk. En juist daar wordt bepaald wat wel en niet acceptabel is. Niet door wetten, maar door wat men laat passeren.
Universiteiten zijn geen eilanden. Geen experimenten waar het recht even op pauze kan. Het zijn publieke instellingen, betaald door de samenleving, gebonden aan dezelfde regels als ieder ander.
Wie daar begint te kiezen wanneer aangifte wel of niet “gepast” is, creëert geen veilige omgeving. Die creëert willekeur.
En willekeur is de vijand van vertrouwen.
Het meest confronterende is misschien nog wel dit. De discussie gaat allang niet meer over incidenten. Niet over één leus of één demonstratie. Het gaat over de vraag of we nog durven zeggen waar de grens ligt.
Of we accepteren dat die grens afhankelijk wordt van wie het doet, waarom het gebeurt en hoe ongemakkelijk het is om in te grijpen.
Want als dat het geval is, dan hebben we geen probleem met veiligheid op universiteiten.
Dan hebben we een probleem met de rechtsstaat zelf.
In Nederland is het strafbaar om jezelf de titel "drs." (doctorandus) te geven als je niet gerechtigd bent om die titel te voeren.**
De titel **drs.** is een wettelijk beschermde academische titel. Je mag hem alleen gebruiken als je daadwerkelijk een universitaire master (of vroeger het doctoraal examen) hebt behaald in een studierichting die daartoe gerechtigt (niet-rechten, niet-technisch aan TU). Dit volgt uit de **Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)**.
Het onbevoegd voeren van zo'n titel valt onder **artikel 435 van het Wetboek van Strafrecht** (derde lid). Dit artikel stelt het voeren van een titel of graad in de zin van de WHW zonder daartoe gerechtigd te zijn strafbaar. Het is een **overtreding**, waar een geldboete van de tweede categorie op staat (momenteel maximaal ongeveer €4.350, afhankelijk van de indexering).
Kort samengevat:
- Heb je een relevante WO-master afgerond? → Dan mag je **drs.** voor je naam zetten (of master-graad achter je naam gebruiken).
- Heb je géén doctoraal/master-diploma dat recht geeft op drs.? → Dan is het dragen van "drs." strafbaar.
- Zomaar zelf "drs." toevoegen zonder diploma = onbevoegd titel voeren → ja, strafbaar.
#d66leugenaars @D66