I asked Grok:
Can you make an estimation of the total length en surface of the tunnels in Gaza?
And how many children could hide in there to protect them?
….
#freepalestinefromhamas
@Mauritsvdr Ik stel voor om alle airco’s uit te zetten in eender welk overheidsgebouw. Kan heel makkelijk geïmplementeerd worden. Moet je geen campagnes rond voeren of nieuwe regelgeving voor uitwerken. Gewoon ‘t voorbeeld geven. Doen 👍🏻
@TadekSolarz Verkleining van de veestapel is niet de oplossing. Afijn, toch niet rigoureus. Geef runderen meer oppervlakte om te grazen, ook in zogenaamde natuurgebieden.
Pardon???
Hoezo worden warmtepompen wél gepromoot?
Geeft de overheid het goede voorbeeld door alle airco’s uit haar gebouwen te verwijderen? Lead by example!
En 2026, en pleine canicule à 40°C, l’administration française a trouvé le moyen ultime de te pourrir la vie : installer une clim pour ne pas crever de chaud dégrade ta note DPE.
Nous sommes chez les dingues.
Oui oui, vous avez bien lu. Tu ajoutes un appareil pour survivre à l’été et ta maison devient une « passoire énergétique » sur le papier. Bravo les gars.
Pendant ce temps, on nous serine qu’il faut « s’adapter au changement climatique ». S’adapter comment ? En suant comme des porcs en fermant les fenêtres ? En priant pour que l’isolation passive suffise pendant que les vieux claquent ?
Le DPE, censé être un outil de performance, est devenu une arme idéologique : on pénalise la solution concrète (la clim qui rafraîchit efficacement) pour flatter des courbes et des quotas verts.
Résultat ? Des logements invendables ou inlouables parce qu’ils ont osé être habitables en été.
On est passé de « sauvez la planète » à « crevez dignement avec une étiquette A ».
On est vraiment chez les fous. Et le pire, c’est qu’ils sont sérieux.
#DPE #Climatisation #Canicule2026 #FolieVerte
In januari 2019 verscheen de Nederlandse Nashvilleverklaring, gebaseerd op de Amerikaanse Nashville Statement uit 2017. De verklaring verdedigde een traditionele christelijke visie op huwelijk, seksualiteit en gender en leidde tot een fel maatschappelijk debat.
Later dat jaar publiceerden de Jonge Democraten @JongeDemocraten van D66 hun Liberaal Manifest. De inhoud sluit direct aan op die maatschappelijke discussie en concentreert zich vrijwel volledig op thema’s als seksuele diversiteit, gender en individuele autonomie.
Het manifest verdedigt gelijke rechten en de vrijheid van mensen om hun eigen leven vorm te geven. Dat past goed binnen de liberale traditie.
Toch valt één passage op. Er staat dat het “goed is om homoseksualiteit of transgenderisme goed te keuren” en dat wie dat niet doet “fundamenteel afwijkt van de standvastigheid die van liberalen verwacht mag worden.”
Daarmee ontstaat een interessante filosofische vraag.
Beschermt liberalisme alleen de vrijheid van mensen om hun eigen keuzes te maken, of verlangt het ook morele instemming met die keuzes?
De klassieke liberale traditie maakt juist onderscheid tussen die twee. Een vrije samenleving garandeert gelijke rechten, maar laat morele oordelen aan burgers zelf. Je hoeft de levenskeuzes van een ander niet toe te juichen om zijn of haar vrijheid volledig te respecteren.
Dat is een belangrijk onderscheid. Een orthodox christen mag homoseksualiteit afwijzen. Een homoseksueel mag religieuze opvattingen bekritiseren. Een conservatief en een progressief mogen fundamenteel van mening verschillen. De taak van de liberale rechtsstaat is niet om die meningsverschillen op te lossen, maar om ervoor te zorgen dat niemand zijn overtuigingen met dwang aan een ander oplegt.
Juist daarin schuilt de kracht van het liberalisme: niet in morele overeenstemming, maar in vreedzame co-existentie. Vrijheid vraagt wederzijds respect voor rechten, niet wederzijdse goedkeuring van elkaars overtuigingen of levensstijl.
Ruim zeven jaar later blijft dit manifest daarom interessant. Niet alleen als tijdsdocument uit een felle cultuurstrijd, maar ook als aanleiding voor een blijvende vraag: waar ligt de grens tussen het beschermen van vrijheid en het voorschrijven van de “juiste” liberale moraal?
https://t.co/vujNKhiLU7
@rblommestijn@ReneDercksen 🎯 wat beschrijft een Nederlander: je supportert voor de Nederlandse ploeg. Niet moeilijk.
Affelay zegt daarnaast niet « ik ben Nederlander », maar slechts dat ie daar is opgegroeid. Nou… opnieuw geen echte Nederlander.
@GeertNoels Komt er dus op neer dat de maatschappij de kosten draagt van beslissingen van onbekwame en/of onervaren politici/ ambtenaren/bureaucraten.
Komt tot de conclusie… kan tellen als downplaying van verantwoordelijkheid
Waarom kent NL en Europa de hoogste belastingdruk uit onze geschiedenis, terwijl juist de klassieke kerntaken van de staat – infrastructuur, defensie en onderhoud van publiek kapitaal – steeds vaker achterstallig blijken? Hans-Hermann Hoppe gaf ruim twintig jaar geleden een antwoord dat nog altijd ongemakkelijk actueel is.
In Democracy: The God That Failed analyseert Hoppe democratie niet primair als een moreel ideaal, maar als een economisch systeem van economische prikkels. Zijn uitgangspunt is eenvoudig: instituties bepalen gedrag. Wie de prikkels begrijpt, begrijpt uiteindelijk ook de uitkomsten.
Een gekozen bestuurder is geen eigenaar van de staat. Hij is een tijdelijke beheerder. Zijn politieke horizon loopt zelden verder dan de volgende verkiezingen. Dat creëert een fundamenteel andere afweging dan bij iemand die een kapitaalgoed bezit waarvan de waarde ook over dertig jaar nog relevant is.
Wie slechts tijdelijk over een bezit beschikt, heeft een sterke prikkel om zoveel mogelijk waarde naar het heden te halen. In economische termen: consumptie krijgt voorrang boven kapitaalbehoud. Uitgaven die vandaag politieke waardering opleveren zijn aantrekkelijker dan investeringen waarvan de opbrengst pas zichtbaar wordt nadat een volgende regering is aangetreden.
Daarom verschuift de nadruk in een democratie volgens Hoppe geleidelijk van onderhoud naar consumptie, van sparen naar schuld, van kapitaalvorming naar herverdeling. Niet omdat politici dom zijn of slechte bedoelingen hebben, maar omdat het politieke systeem dat gedrag rationeel beloont.
Dat mechanisme wordt versterkt doordat belangengroepen voortdurend nieuwe aanspraken op de staatskas kunnen organiseren. De kosten worden verspreid over miljoenen belastingbetalers; de baten zijn geconcentreerd bij relatief kleine groepen. Iedere verkiezingscyclus vergroot zo de druk om méér uit te geven, terwijl vrijwel niemand stemmen wint met het vervangen van een brug, het versterken van een dijk of het vernieuwen van een hoogspanningsnet.
Kijk vervolgens naar Europa.
We leven onder de hoogste belastingdruk die het continent ooit heeft gekend. Tegelijkertijd kampen vrijwel alle Europese landen met achterstallig onderhoud aan bruggen, spoorwegen, sluizen, elektriciteitsnetten, defensie en andere vormen van publiek kapitaal. Niet omdat er onvoldoende belasting wordt geheven, maar omdat een steeds groter deel van de overheidsuitgaven naar consumptieve bestedingen, inkomensoverdrachten, subsidies en nieuwe beleidsprogramma’s gaat.
Dat betekent niet automatisch dat Hoppe gelijk heeft in zijn voorkeur voor alternatieve staatsvormen. Zijn vergelijking tussen democratie en monarchie blijft omstreden. Maar zijn analyse van politieke prikkels verdient serieuze aandacht. Politieke instituties moeten uiteindelijk niet worden beoordeeld op hun idealen, maar op het gedrag dat zij systematisch stimuleren.
Misschien is de combinatie van recordbelasting en afnemende kwaliteit (Cubanisering) van de publieke infrastructuur daarom geen paradox, maar een voorspelbare uitkomst van een systeem waarin de politieke opbrengst van uitgeven vrijwel altijd groter is dan de politieke opbrengst van onderhouden.