Jij: “Mijn beleggingen van €100.000 zijn dit jaar 10% in waarde gestegen.”
Overheid: “Mooi. Over die €10.000 waardestijging betaal je 36% belasting: €3.600.”
Jij: “Maar mijn inflatie was 8%. Mijn reële rendement (mijn koopkrachtwinst) was dus slechts ongeveer €2.000.”
Overheid: “Wij belasten het volledige nominale rendement.”
Jij: “Maar ik heb mijn beleggingen niet eens verkocht.”
Overheid: “Dat hoeft ook niet. De waardestijging telt als inkomen.”
Jij: “Dus ik betaal €3.600 belasting over winst die ik niet heb ontvangen, terwijl mijn koopkracht maar met ongeveer €2.000 is toegenomen?”
Overheid: “Klopt. We noemen dat ‘werkelijk rendement’.”
Jij: “Werkelijk nominaal rendement misschien. Mijn werkelijke koopkrachtwinst was maar €2.000.”
Overheid: “U maakt het onnodig ingewikkeld. U bent toch zeker geen econoom?”